“Mijn vriend Henri” door Raoul Servais

Home / Henri Storck / Teksten / Teksten over Henri Storck / “Mijn vriend Henri” door Raoul Servais

 

Raoul Servais

Mijn vriend Henri

 

 

Het is niet zo eenvoudig getuigenis af te leggen over een vriendschapsband, een domein waarbij vaak gevoelens van sympathie, empathie, bewondering

en mentale affiniteiten aanwezig zijn. Toen ik geboren werd, had Henri Storck reeds de Ciné-club van Oostende opgericht.

Toen ik Henri voor de eerste maal zag was hij veertig en ik twintig. Bijgevolg was hij dubbel zo oud als ik en met zo’n ouderdomsverschil is vriendschap moeilijk denkbaar. Maar toen hij tachtig werd en ik zestig, had ik hem bijna ingehaald; hij was slechts een kwart ouder dan ik en behield dus maar 25 procent voorsprong. Dit deed mij denken aan een opdracht die hij voor mij schreef in een van zijn biografieën: ‘A Raoul, dont l’âge, I’esprit, la tendresse et l’amitié éternelle se rapprochent de moi et moi de lui à la vitesse supersonique – A bon entendeur, salut!’

De jaren dertig

Ik ontmoette toen enkele markante Oostendse figuren: James Ensor, die slechts oog had voor mijn mooie jonge moeder en er lange gesprekken mee voerde, en ook een andere populaire figuur die ik vaak op de zeedijk ontmoette, de excentrieke haarkapper Col et manchettes. Een meesterwerk op zichzelf, die Félix Labisse trouwens op een van zijn schilderijen wist te vereeuwigen samen met Ensor.

Maar de voor mij derde bekende figuur, Henri Storck, was nergens te bespeuren in de koningin der badsteden. Hij vertoefde ofwel in Brussel ofwel in Parijs, zoniet in Nice. Dit belette niet dat ik vaak over hem hoorde spreken. Mijn vader deelde met Henri bepaalde passies. Zij waren allebei verlekkerd op sportwagens en mijn vader kocht dan ook in occasie Henri’s Fiat cabriolet. Beiden waren ook de eersten in Oostende om zich een 9,5 mm Pathé Babycamera aan te schaffen. Al spoedig wisselde Henri van formaat en begon als stedelijke cinegrafist op het beroepsformaat 35 mm te draaien. Alle belangrijke plaatselijke gebeurtenissen werden door beiden opgenomen. Helaas, mijn vaders filmotheek verdween volledig in de vlammen tijdens de Luftwaffeaanvallen op Oostende. Gelukkig kon Henri’s werk bijna integraal bewaard blijven.

Na de oorlog zag ik Henri voor de eerste maal toen hij in gesprek was met mijn vader. Ik was toen al bijzonder gemotiveerd om cineast te worden, maar durfde

de reeds befaamde Storck niet aan te spreken.

Aangezien de familie Storck en de mijne in dezelfde straat woonden en ik op een bescheiden manier deelnam aan het cultureel leven van Oostende, werd

ik alvast vriend aan huis bij Henri’s moeder en vooral bij zijn zuster Simone en zijn schoonbroer André. Samen bekokstoofden wij het plan om Henri’s verdwenen filmclub opnieuw op te richten. Mijn vriend, de kunstschilder Maurice Boel, en kapitein Malaisse maakten deel uit van ons kwintet.

De Filmclub Oostende kende een groot succes, zo groot dat de bioscoopeigenaars concurrentie vreesden en druk uitoefenden op het stadsbestuur om ons te

belasten, wat dan ook gebeurde. Al spoedig bezweek daardoor Henri’s cineclub voor de tweede maal. Toen Henri Storck belast werd met het produceren van de promotiefilm De Schat van Oostende, werd ik aangemonsterd als derde of vierde assistent, verantwoordelijk voor het optrommelen van de talrijke figuranten. Hoewel ik dus slechts loopjongen of estafette van de productie was, kon ik zo voor de eerste maal

getuige zijn van het maken van een professionele filmproductie en kon ik ook Henri beter leren kennen. En, eerlijk gezegd, ik had toen nooit kunnen denken dat wij later zo’n hechte vriendschap zouden kennen. Het werd dus zeker geen vriendschap coup de foudre, ver daarvan.

Henri, die de zware taken van scenarist, regisseur en productieleider cumuleerde, was daardoor vaak onderhevig aan stress en plankenvrees. Voor de eerste maal kon ik ook ondervinden hoe hij soms ambivalente kenmerken vertoonde. Hij had mij een louter uitvoerende en weinig creatieve taak toevertrouwd: loopjongen, zonder meer. Toen ik bij de première van de film echter tot mijn grote verwondering op de generiek mocht lezen dat ik had gefungeerd als kleurenraadgever, moest ik dus vaststellen dat hij mij a postiori had gepromoveerd. Hij besefte blijkbaar dat deze fictieve promotie mij in de toekomst kon helpen. Het was een gracieuze geste.Veel later, toen wij al jarenlang een oprechte vriendschapsband hadden, bracht hij mij soms in verwarring. Hij vertelde mij eens dat hij officiële filmraadgeverwas geweest bij het Hof. Kort nadien, toen iemand mij vroeg hoe ik zou reageren mocht de Koning mij in de adelstand willen verheffen, liet Henri mij niet de tijd om te antwoorden en met een strenge blik zei hij mij: ‘Als je dat zou aanvaarden, zal ik nooit meer het woord tot je richten!’ Deze ambiguïteit ergerde mij niet maar verbaasde en boeide mij wel. Je wist trouwens nooit of hij het werkelijk meende of dat hij subtiele humor hanteerde om je te misleiden.

Verder was Henri vaak vooringenomen. Hij had een zeer subjectieve kijk op de zaken en ik mocht dat meermaals ondervinden, weliswaar vaak in positieve zin, zeker wat mij betrof, maar vaak tegen alle logica in. Toen ik hem mijn allereerste afgewerkte tekenfilm liet bekijken, vond hij die geslaagd, maar hij raadde mij aanenkele shots in te korten. De kritiek van Henri was terecht, sommige delen waren inderdaad te lang uitgerekt. Maar ik kon helaas zijn goede raad niet volgen omdat knippen in de unieke filmkopij die ik bezat, financiële implicaties zou meegebracht hebben. Zo moesten de klankband en de synchronisatie aangepast worden, wat opnieuwduur labowerk impliceerde. Het was dan ook in de oorspronkelijke vorm dat ik de film moest voorstellen op het Nationaal Filmfestival. De prent werd er zeer goed onthaald en Henri kwam naar mij toegelopen om me te zeggen: ‘Je ziet wel… de film is veel verbeterd door erin te knippen!’ Hij had mij opnieuw van mijn stuk weten te brengen want ik had geen 24ste van een seconde uit de film geknipt! U ziet dus dat Henri jegens mij een meer dan positieve vooringenomenheid koesterde. Hij bleef trouwens steeds mijn films hardnekkig verdedigen, zelfs die waarvoor de filmkritiek minder enthousiast bleek te zijn. Liefde maakt blind… vriendschap misschien nog meer! Ik was slechts een van de talrijke jongere cineasten die hij wist aan te moedigen. Niet voor niets werd hij beschouwd als de vader van de Belgische cinematografie.

Henri was een kunstenaar die graag deelde. Wanneer hij bijvoorbeeld door een boek in geestdrift werd gebracht, kocht hij onmiddellijk een tweede exemplaar om het mij te schenken en er later over te discussiëren. Zo was hij: delen en mededelen, overbrengen en overtuigen. Waardoor zijn wij vrienden geworden? Omdat wij allebei in dezelfde stad en dezelfde wijk geboren waren? Omdat we dezelfde scholen bezochten? Omdat wij allebei autodidactische cineasten waren? Misschien.Maar vooral denk ik, omdat wij allebei dezelfde sociale bekommernissen deelden.

Ikzelf had het klassenbewustzijn ontdekt door de ellende die de oorlog voor onze familie had meegebracht. Henri, zo vertelde hij mij eens, had het reeds ontdekt tijdens zijn prille jeugd. Zijn regenjas was hem op school ontvreemd, wat een politieonderzoek als gevolg had. De jonge Henri moest de politieagenten vergezellen tijdens de huiszoekingen in de, toentertijd, arme havenwijk van Oostende.

Daar zag hij voor de eerste maal in zijn leven in welke ellendige omstandigheden arme mensen moesten leven. Hij werd er diep door geschokt, voelde niet alleen empathie voor die misdeelden, maar eveneens een zeker schuldgevoel. Met welk recht mocht hij, zoon van de welgestelde burgerij, die sukkelaars gaan vernederen?

Tijdens het interbellum waren de sociale klassen nog altijd nauw verbonden met de kennis van de Franse taal. De familie Storck was Franssprekend en kon zichamper uitdrukken in een gebrekkig West‑Vlaams. Mijn familie was West‑Vlaamssprekend, maar kon zich zeer behoorlijk uitdrukken in het Frans, weliswaar met een zware West‑Vlaamse tongval. Deze kleine nuance in de kennis van de bourgeoisietaal was al voldoende om een gradatieverschil in de sociale ladder te verwekken. Het gepeupel, het proletariaat, sprak amper een paar woordjes Frans en Henri had in principe weinig affiniteit met deze laag van de maatschappij. Wat een enorme evolutie betekende dan ook deze sociale prise de consigne bij een telg van de Oostendse bourgeoiselite!

Maar is het niet zo dat grote sociaal gemotiveerde figuren vaak uit de bourgeoisie voortkomen? Men denke maar aan Jean Jaurès en dichter bij ons aan Emiel Vandervelde of Kamiel Huysmans. Alhoewel Henri van jongs af in de Romaanse cultuur werd ondergedompeld, vond ik toch dat zijn gelaatstrekken geenszins een Latijnse morfologie vertoonden. Zij herinnerden veeleer aan Permeke of aan Hugo Claus. Een zoveelste ambivalentie!

Tijdens onze talrijke ontmoetingen in Ukkel of Leffinge werd zelden of nooit gesproken over onze respectieve filmactiviteiten. Wereldpolitiek, kunst, literatuur of geschiedenis hadden onze voorkeur. Maar waar ik het meest van kon genieten waren zijn jeugdanekdotes. Ik herinner mij hoe hij mij met veel vermaak vertelde dat er op de zeedijk, tijdens de eerste wereldoorlog, geregeld een Duitse militaire muziekkapel marsmuziek kwam spelen. Met zijn schoolkameraden waren zij telkens op post om getuige te zijn van een bijzonder patriottisch spektakel. Vanuit de loggia van een van de villa’s verscheen dan telkens een jonge vrouw, volledig ingekapseld in de verboden Belgische driekleur. Toen zij goed zichtbaar werd op haar balkon, opende ze dan de vlag met een majestueus gebaar om haar naakte lichaam aan de muziekliefhebbers te tonen. Beslist een succesvolle erotische verzetsdaad.

Waren Henri en zijn makkers melomanen verlekkerd op martiale Pruisische muziek? Waren zij nostalgische patriotten of alleen maar nieuwsgierige pubers die

het vrouwelijk schoon wilden ontdekken? Henri kennende was beslist deze laatste optie de meest aanvaardbare.

 

September 1999

Mijn vrouw en ik brachten een bezoek aan het ziekenhuis van Ukkel waar Henri verpleegd werd. Dit was twee dagen voor zijn overlijden en hij vond nog de kracht om ons toe te fluisteren: ‘Comme c’est con de devoir mourir!’ Voor een mens met zoveel levenslust, zoveel intellectuele nieuwsgierigheid en zoveel mentale energie is sterven inderdaad een moeilijk aanvaardbare conclusie